We gebruiken de Pretérito Perfecto (voltooid deelwoord) als je spreekt over een bepaalde tijd die gerelateerd is met de tegenwoordige tijd: El día, la semana, el mes, la Navidad (deze dag, deze week, deze maand, deze Kerst) Je geeft dus informatie wat betrekking heeft tot de tegenwoordige tijd. De periode waar de activiteit zich dus plaats vindt is nog niet geëindigd.
Voorbeeld:
He trabajado mucho esta semana
Ik heb hard gewerkt deze week. (de week is echter nog niet voorbij)
Hieronder kun je enkele herkenbare woorden lezen waarbij de Pretérito Perfecto gebruikt wordt:
hoy, vandaag
a las 4, a las 6 om 4, 6 uur
esta mañana, esta tarde, esta semana deze ochtend, middag, week
este mes, este año deze maand, jaar
este invierno, este otoño deze winter, oktober
todavía no, aún no, ya nog niet, nog niet, al
hasta ahora, últimamente tot nu, uiterst
en mi vida in mijn leven
nunca nooit
por fin eindelijk
siempre altijd
¿alguna vez? ooit
¿cuántas veces? hoeveel keer
De Pretérito Indefinido (verleden tijd) wordt dus gebruikt wanneer je praat over een bepaald periode wat geen relatie heeft met het heden. De tijdsperiode waar men dus over praat is dus geëindigd: Un día, una semana, un mes, una Navidad, en 1984, aquella vez, ayer (een dag, een week, een Kerst, in 1984, deze keer, gisteren).
Voorbeeld:
Trabajé mucho la semana pasada
Ik heb vorige week hard gewerkt. (de week is hier wel duidelijk geëindigd)
Hieronder kun je enkele herkenbare woorden lezen waarbij de Pretérito Indefinido gebruikt wordt:
ayer, anteayer gisteren, eergisteren
el otro día op een andere dag
anoche, anteanoche gisteravond,
la semana pasada vorige week
el mes, el año pasado vorige maand, jaar
aquel año, aquella primavera dat jaar, die lente
en + año/mes in dat maand, jaar
hace + cantidad de tiempo + que + indefinido tijdsperiode + sinds + indefinido



